Werd lang geleden de tekst van Griekse tragedies gesproken of gezongen? Aan het eind van de zestiende eeuw was dat een boeiende vraag voor intellectuelen in Italië. Want als de Grieken in de oudheid gezongen toneelstukken konden produceren, waarom zij dan niet? Hier lag een uitdaging voor dichters en componisten, die naarstig op zoek gingen naar een geschikte muziekstijl.
Zo werd de stile recitativo ontwikkeld, een soort van sprekend zingen over lang aangehouden akkoorden. De eerste gezongen toneelstukken, opera’s, ontstonden rond 1600 aan de hoven van Italiaanse edellieden. De verhalen waren gebaseerd op Griekse mythen. In 1637 werd het eerste publieke operatheater geopend.
Een voorbeeld van stile recitativo is te vinden in de Disprezzata Regina, waarin Ottavia, de keizerin van het Romeinse rijk, klaagt over de ontrouw van haar echtgenoot Nero. Toen Claudio Monteverdi (1567-1643) deze componeerde, was de stile recitativo al uit de tijd. De nieuwe stijl was veel melodieuzer en virtuozer. Ottavia wordt voorgesteld als een ouderwetse, gereserveerde dame. Nero en zijn geliefde uitten zich meer trendy in hun Pur Ti Miro.
Een belangrijke opvolger van Monteverdi was Francesco Cavalli.