Als een jongen in de zeventiende en de achttiende eeuw over een mooie stem beschikte, kon hij de pech hebben om door zijn ouders naar een dokter gestuurd te worden voor een speciale medische ingreep. In het geheim weliswaar, want officieel was castratie voor het behoud van de jongensstem verboden. Na een strenge zangersopleiding kon hij – als hij goed was - veel geld verdienen als operazanger.
In de glorietijd van de (1670-1750) gingen mensen niet alleen naar het operatheater om te luisteren, maar ook om te gokken, te eten en wat te kletsen. Meestal schonken zij alleen aandacht aan de belangrijkste zangers, die (net als jazzvocalisten nu) vooral beoordeeld werden om hun improvisatievermogen en virtuositeit.
De dramatische plot was niet van belang. Als het zo uitkwam werden twee aktes omgedraaid, want het adellijke publiek kende het verhaal uit de klassieke literatuur toch wel. De muziek kent geen dramatische ontwikkeling: de ene
De Franse koning Lodewijk XIV hield niet van castraten, maar wel van ballet. De Fransen ontwikkelden daarom een eigen operavorm, zonder castraten en met veel dansmuziek. De belangrijkste componisten waren Jean-Baptiste Lully (1632-1687) en Philippe Rameau (1683-1764)