Terug naar boven

Basiscollectie klassiek: De wals en andere dansmuziek uit de 19e eeuw

Er waren mensen die grote bezwaren hadden. Om medische of morele redenen. Dat gedraai, dat kon nooit goed zijn voor je hoofd. En die innige omhelzing. Dat was toch een gevaar voor de goede zeden? In 1797 verscheen zelfs het pamflet Bewijs dat walsen een hoofdoorzaak is van de zwakte van lichaam en geest van onze generatie. Maar het was niet te stoppen. Het walsen, die verderfelijke gewoonte van lui in de kroeg, werd als dansvorm geaccepteerd in de balzaal.

De dans werd ongekend populair, niet alleen in Wenen maar in heel Europa en Noord-Amerika. De ene danszaal na de andere werd geopend om aan de enorme vraag te voldoen. Gespecialiseerde dansorkesten verzorgden de muziek. Sommige leiders van die orkesten, de componisten van de dansmuziek, werden geadoreerd als popartiesten. Een van hen was Johann Strauss I.

Samen met Joseph Lanner tilde Strauss I de wals als muziekvorm op een hoger niveau. Die vorm bestond uit een inleiding gevolgd door een reeks van walsen in driekwartsmaat en een slot. De inleiding had van oorsprong de praktische functie om heer en dame de tijd te geven zich op de dansvloer te begeven en zich voor te bereiden op de komende roes. Maar onder invloed van Strauss I en Lanner werd de inleiding langer en sfeerbepalend. De titel van de wals, in dit geval Loreley-Rhein-Klänge, gaf een indicatie waar de inleiding over ging.

Johann Strauss I: Wals op.154 Loreley-Rhein-Klänge (zie album)

De wals was ongekend populair maar niet de enige dans in de balzaal. De galop was een levendige, zo niet wilde dans in tweekwartsmaat. De naam werd afgeleid van het galopperen van een paard. Heer en dame hielden elkaar vast als bij de wals en verplaatsten zich razendsnel met springende passen door de danszaal heen. De galop werd populair als laatste dans van de avond. Ook in balletten, operettes en orkestwerken werd het ritme van de galop gebruikt om een stuk bruisend af te sluiten. Deze galop van Strauss I werd geïnspireerd door de ouverture van Rossini’s opera Guillaume Tell.

Johann Strauss I: Galop op.29b Wilhelm Tell (zie album)

Heel anders dan de wals of galop was de quadrille. Deze dans werd door vier, zes of acht paren samen gedanst. De oorsprong lag in de Engelse country dances ( in het Frans: contredanses). De stijl was beheerst: de dansers moesten nauwkeurig een reeks van stappen en figuren volgen. De strikte vorm van de quadrille beperkte de creativiteit van de componist. Doorgaans gebruikten componisten een reeks van populaire deuntjes om een quadrille samen te stellen, bijvoorbeeld beroemde melodieën uit opera’s van Verdi.

Johann Strauss II: Quadrille op.112 Melodien-Quadrille nach Motiven von G.Verdi (zie album)

Johann Strauss I ging regelmatig op tournee in het buitenland. Met groot succes. Zelfs ambitieuze componisten als Wagner en Berlioz roemden zijn vioolspel en de ritmische precisie waarmee zijn orkest speelde. De balzaal was niet het enige platform voor orkesten als de zijne. Er waren ook concerten tijdens festivals in de open lucht. En vaak hadden leiders van een dansorkest ook de leiding over een militaire kapel. Ze stonden midden in de maatschappij en reageerden op iedere sociale gebeurtenis. Strauss I componeerde zijn beroemde Radetzky-Marsch tijdens de revolutie van 1848. Hij wijdde de mars aan het Oostenrijkse leger.

Johann Strauss I: Mars op.228 Radetsky-Marsch (zie album)

Een jaar later stierf Strauss I. Zijn orkest werd overgenomen door zijn zoon, Johann Strauss II, die tegen de wil van zijn vader een eigen dansorkest begonnen was. De populariteit van de wals werd inmiddels bedreigd door die van de polka. De polka, een levendige dans in tweekwartsmaat, verspreidde zich rond 1840 vanuit Praag via Wenen over Europa en Noord-Amerika. Het werd een rage. De naam van de snelle Tritsch-Tratsch-Polka verwijst naar het geroddel rond de dansvloer.

Johann Strauss II: Polka op.214 Tritsch-Tratsch-Polka (zie album)

Samen met zijn broers Josef en Eduard zette Johann Strauss II het imperium voort. Hij erfde de titel Walsenkoning van zijn vader en bleek die titel meer dan waardig te zijn. Een van de mooiste walsen ooit geschreven is An der schönen blauen Donau. De in serieuze kringen bewonderde componist Johannes Brahms noteerde de eerste noten van deze wals op een waaier van Strauss’ stiefdochter. En schreef erbij: “Leider nicht von Johannes Brahms”.

Johann Strauss II: Wals op.314 An der schönen blauen Donau (zie album)