Terug naar boven

Basiscollectie klassiek : Een reis door de muziek - I. Oudheid en Middeleeuwen

Dit is een reis door de muziek. Onze reis begint in het oude Athene, waar wij aan een voorbij komende wijsgeer vragen: ‘Wie vindt u de grootste componist?' De filosoof kijkt vreemd op. ‘Bedoelt u soms onze tragediedichters? Of de Harmonie der Sferen van mijn collega Cicero?'

Voor de oude Grieken had muziek meer met theorie dan met praktijk te maken. Droog was deze theorie allerminst: in de muziek kon je horen hoe alles met alles samenhing. Had Plato niet uiteengezet hoe de wetmatigheden van de muziek dezelfde waren als de banen waarmee zon en de planeten zich rond de aarde (!) bewogen? De eeuwige schoonheid van de muziektheorie wekte toen evenveel ontzag als tegenwoordig het periodieke systeem of de kwantummechanica.

De middeleeuwse muziek was praktischer, maar men had wel altijd de blik omhoog gericht. In de kathedralen zweefden gregoriaanse melodieën als ranke arabesken langs de spitsbogen. De monniken zullen in die grote ruimtes gehoord hebben hoe hun eigen gezang zich vermengde met de galm vanuit de Middeleeuwse gewelven.

Uit deze spontane vorm van meerstemmigheid heeft zich misschien wel één van de grootste specialiteiten van de Westerse muziek ontwikkeld: de polyfone (dat wil zeggen: meerstemmige) muziek. De aan de Notre Dame in Parijs verbonden componist Leoninus compileerde rond 1180 zijn Magnus Liber Organi: zijn grote organumboek met tweestemmige liturgische gezangen voor het hele kerkelijke jaar. Zijn jongere collega Perotinus breidde de technieken van Leoninus uit tot drie en vier stemmen.

Alleluia Pascha nostrum van Leoninus

Zijn dit nu de ‘eerste' componisten? Wellicht, maar misschien is het verleidelijker om de geschiedenis van de klassieke muziek te laten beginnen bij een onbetwist meesterwerk. We gaan met onze tijdmachine naar het middeleeuwse Frankrijk, waar in 1364 de kroning van Karel V, bijgenaamd De Wijze, plaatsvond. De plechtigheid zou opgeluisterd zijn met de imposante Messe de Notre Dame (of Messe de Nostre Dame) van Guillaume de Machaut (c. 1300-1377). Vanwege de artistieke kwaliteit en de verheven grandeur wordt dit werk door velen gezien als het belangrijkste werk van de 14e eeuw.

Messe de Notre Dame van Guillaume de Machaut

Dit mag dan het vroegste meesterwerk zijn, maar pausen en kardinalen waren toch niet altijd gecharmeerd van dit soort moeilijke muziek. Wellicht verklaart dit waarom De Machaut veel minder voor de kerk schreef dan diens voorgangers Leoninus en Perotinus. Ook aan de andere kant van het Kanaal hield men van een eenvoudiger soort muziek. In het 15e eeuwse Engeland gaf men zich liever over aan de oorstrelende akkoorden van de zogenaamde ‘fauxbourdon'. Aan het Bourgondische hof verlustigde men zich graag aan de lieflijke motetten en chansons van Guillaume Dufay.

Salve flos van Guillaume Dufay

(HJ)