Op 22 juni 2024 was het exact vijftig jaar geleden dat de Franse componist Darius Milhaud overleed. Het is zo’n naam die je nog weleens op concertprogramma’s en in muziekgeschiedenisboekjes tegenkomt, maar van wie het maar moeilijk is een compleet beeld te vormen.
Dat is ook lastig wanneer je bedenkt dat Milhaud met 443 composities tot de productiefste componisten van de twintigste eeuw behoorde. Bovendien bestreek hij met zijn oeuvre nagenoeg alle genres en compositiestijlen van de twintigste eeuw.
Als componist ken je Milhaud wellicht als lid van het roemruchte gelegenheidscollectief Groupe des Six. Samen met onder meer Francis Poulenc en Arthur Honegger morrelde hij na de Eerste Wereldoorlog aan de fundamenten van de toenmalige Franse muziek. Later ontpopte hij zich tot een begenadigd leraar van een even diverse als kleurrijke schare componisten, variërend van modernist Karlheinz Stockhausen en minimalist Steve Reich tot jazzpianist Dave Brubeck. Maar daarmee is lang niet alles gezegd over wat Milhaud als componist zo bijzonder maakt.
Kind van de Provence
Darius Milhaud werd in 1892 in Marseille geboren en groeide als zoon van een welgestelde amandelhandelaar op in het sfeervolle stadje Aix-en-Provence. In zijn autobiografie vertelt Milhaud hoe hij als kind ‘s morgens vroeg, nog slaapdronken, het geroezemoes hoorde van de werklui, en het ‘zachte geluid van het fruit dat in de manden viel en het monotone en rustgevende gezoem van de machines’. Overdag luisterde de kleine Darius naar de Provençaalse volksliedjes, die de vrouwen tijdens het sorteren van de amandelen zongen. Geen wonder dat de natuur, de muziek en de cultuur van de Provence als een rode draad door zijn oeuvre lopen. Het leverde kleurrijke stukken op, zoals de Suite Provençale, Chansons de Troubadour en het verkapte pianoconcert Carnaval d’Aix.
Darius Milhaud - Carnaval d’Aix ; Tartaglia
De Joodse liturgie van het Comtat Venaissin
Een andere rode draad in het oeuvre van Darius Milhaud was zijn Joodse achtergrond. In het hart van de Provence was hij tevens inwoner van het Comtat Venaissin, een van de weinige plekken waar de Joden in relatieve rust leefden en een geheel eigen liturgie vierden. In de middeleeuwen stond het graafschap zelfs tijdelijk onder bescherming van de paus. Milhaud verwerkte dit gegeven in zijn opera Esther de Carpentras (1927). Nauw verweven met de Joodse liturgie zijn de twee ‘services’ die Milhaud componeerde: de Service Sacré en de Service pour la Veille du Sabbat.
Darius Milhaud - Service Sacré ; Barekhou et Shema
Le grand mediterranée: Brazilië
Deze Joodse enclave in de Provence vormde voor Milhaud zeker geen in zichzelf gekeerde wereld. Integendeel, het maakte deel uit van wat Milhaud ‘le grand mediterranée’ noemde, het mediterrane gebied dat reikte van Turkije tot aan Brazilië. Daarmee vormde de Provence een soort springplank naar de rest van de wereld. Dit gegeven werd voor de net afgestudeerde Milhaud in 1917 plotseling werkelijkheid toen de Franse dichter en diplomaat Paul Claudel hem onder zijn hoede nam als attaché aan de Franse ambassade in Brazilië.
In Rio de Janeiro maakte Milhaud kennis met de Braziliaanse volksmuziek. Vooral de levendige ritmes hadden een bevrijdend effect op zijn muziek en kregen in de daaropvolgende jaren een prominente plek in zijn werk. Dat is duidelijk hoorbaar in het pianostuk Saudades do Brasil dat Milhaud als een soort muzikaal souvenir componeerde. De Braziliaanse volksmuziek is eveneens alom aanwezig in de orkestfantasie Le boeuf sur le Toit, waarin als couleur locale een guiro (een soort rasp) aan het orkest is toegevoegd. Het zou een van Milhauds bekendste stukken worden.
Darius Milhaud - Le Boeuf sur le Toit
‘Verwerpelijke aanstellerij’
Terug in Frankrijk bleek de wereld voorgoed veranderd. De Eerste Wereldoorlog was voorbij, tegelijkertijd rouwde de muziekwereld om het heengaan van Claude Debussy. Milhaud zal ongetwijfeld hebben teruggedacht aan zijn eenmalige ontmoeting met de grote meester in 1916, toen hij als altviolist tijdens een besloten uitvoering Debussy’s Sonate voor altviool, fluit en harp ten gehore bracht. Toen was het hem reeds duidelijk dat Debussy’s impressionisme geen toekomst had voor de jongste generatie componisten. ‘Zoveel wolligheid, geparfumeerde golven, glinsterende versierselen, mistigheid en weemoed markeerden het einde van een tijdperk waarvan ik de aanstellerij onoverkomelijk verwerpelijk vond’, aldus Milhaud.
Claude Debussy - Sonate voor fluit, harp en altviool ; III. Finale
Groupe des Six
In Parijs verdiepte Milhaud zich juist grondig in de nieuwste muzikale ontwikkelingen. Als dirigent verzorgde hij zowel de Franse als Britse première van Schönbergs invloedrijke stuk Pierrot Lunaire. Onder de indruk hiervan droeg Milhaud zelfs zijn Vijfde Strijkkwartet aan Schönberg op. In dezelfde tijd onderhield hij intensief contact met de kring componisten rondom Jean Cocteau en Erik Satie. Dit gelegenheidscollectief werd in 1920 door journalist Henri Collet nogal geforceerd tot Groupe des Six gedoopt. Dat de groep slechts één gezamenlijke compositie tot stand wist te brengen, het Album des Six, zegt genoeg over de geringe binding tussen de zes componisten onderling, al werkten ze bij gelegenheid wel in kleiner verband samen.
Darius Milhaud - Album des Six ; IV. Mazurka
La Création du Monde
Milhauds doorbraak als componist kwam met zijn succesvolle ballet La Création du Monde (1923). Hoewel, je kunt het beter een schandaalsucces noemen, want de eerste uitvoering maakte onder het publiek en de pers nogal wat los. Als een van de eerste componisten (nog voor Gershwins Rhapsody in Blue) bracht Milhaud een spannende verbinding tot stand tussen de klassieke traditie en jazz.
Milhaud baseerde zijn ballet op een oude Afrikaanse mythe over het ontstaan van de wereld. De muziek kleurde hij met bluesy wendingen, swingende climaxen en stuwende ritmes. De instrumentatie, inclusief saxofoons en allerhande slagwerkinstrumenten, ontleende hij aan de bars en de clubs die hij tijdens een Amerikaanse trip in 1920 had bezocht. Net als de volksliedjes van de Provence, de Joodse liturgische muziek en de Braziliaanse ritmes zou ook jazz deel blijven uitmaken van Milhauds compositorische pallet.
Darius Milhaud - La Création du Monde
De gevestigde componist
Ieder zichzelf respecterende componist schrijft minimaal één opera. Hoewel Milhaud voor 1930 al meerdere kleinere opera’s op zijn naam had staan, componeerde hij met Christophe Colomb zijn eerste grote, avondvullende opera. Paul Claudel verzorgde het libretto, gebaseerd op het leven van Columbus, de ontdekker van Amerika. Het werk is grootschalig opgezet en vraagt veel van de regie. Het is zover bekend zelfs de eerste multimediale opera vanwege het gebruik van film. Ook muzikaal verlegt het stuk de nodige grenzen. Naast de voor Milhaud kenmerkende polytonaliteit, bevat het ritmisch uitgeschreven gesproken passages, louter begeleid door slagwerk.
Darius Milhaud - Christophe Colomb
Een serieus symfonicus
Na Christophe Colomb richtte Milhaud zijn blik op het volgende serieuze genre: de symfonie. Tussen 1939 en 1961 schreef hij er niet minder dan twaalf, elk met een geheel eigen karakter. Zo draagt zijn Achtste Symfonie (1957) de bijnaam ‘Rhodanienne’. Zoals Bedrich Smetana eerder met het symfonisch gedicht Moldau had gedaan, gaf Milhaud met zijn vierdelige symfonie een muzikale schildering van de loop van de Rhône. De Derde Symfonie (1946) is de meest serieuze van de twaalf. Milhaud componeerde het ter gelegenheid van het einde van de Tweede Wereldoorlog. De koorfinale viert de vrede met een feestelijke toonzetting van de rooms-katholieke hymne Te Deum.
Darius Milhaud - Symfonie nr. 3 ‘Te Deum’ ; VI. Hymnus Ambrosianus
Terug naar de bron
Aan Darius Milhaud kleeft nogal eens het imago dat hij een veelschrijver zou zijn geweest. Misschien is niet iedere compositie even geïnspireerd, maar ze verraadt in ieder geval meesterlijk vakmanschap. Zelf zei Milhaud erover: ‘Ik heb geen esthetische regels, filosofie of theorieën. Ik schrijf graag muziek. Ik doe het altijd met plezier, anders schrijf ik het gewoon niet [...] Natuurlijk zijn er bepaalde soorten muziek waar ik de voorkeur aan geef, maar een componist moet alles met inzet doen, met alle middelen die hem ter beschikking staan. Dan mag hij hopen dat, na een leven van hard werken, sommige stukken blijven bestaan.’
Dat valt zeker te wensen voor Milhauds een na laatste compositie, het strijkkwartet Études sur des Thèmes Liturgiques du Comtat Venaissin (1973). Deze compositie geldt als een hoogtepunt onder zijn late kamermuziek van de jaren zestig en zeventig. Het stuk valt op door het subtiele contrapunt, de lichte textuur, de soepele ritmes en de kruidige harmonieën. Voor Milhaud had de compositie ongetwijfeld een persoonlijke betekenis. Hij baseerde de muziek op de Joodse melodieën die hij kende uit het Comtat Venaissin van zijn jeugd. Daarmee keerde Milhaud voor de laatste keer terug naar zijn roots in de Provence, de plek waar het voor hem allemaal begon.
Darius Milhaud - Études sur des Thèmes Liturgiques du Comtat Venaissin ; II. Animé
JWvR
