Wat is de overeenkomst tussen de Engelse dichter William Blake en de Hongaarse componist György Kurtág? Allebei weten zij het oneindige te vangen in het kleinste detail. Een portret van deze hedendaagse componist in twee delen.
‘Een wereld zien in een korrel zand,
een hemel in een wilde bloem,
oneindigheid omvatten met de palm van je hand
en eeuwigheid vangen in één moment.’
Deze dichtregels van William Blake (1757-1827) lijken György Kurtág (1926) op het lijf geschreven. Als minimalist verhief Kurtág de miniatuur en het fragment tot ware kunst. Muzikale uitdrukkingskracht balde hij samen tot een enkele geste, waarin stilte net zo belangrijk werd als de klank van een individuele noot. Bij Kurtág staat pure expressie in haar meest elementaire vorm voorop, net zoals zijn meer dan innige relatie met de klassieke muziektraditie.
Op 19 februari 2025 viert Kurtág zijn 99e verjaardag. Een mooi moment om bij zijn ruim tachtigjarige carrière als componist stil te staan. Samen met Sofia Goebajdoelina (1931) behoort hij inmiddels tot de laatste representanten van het zogenoemde Westerse modernisme. In twee artikelen gaan we dieper in op Kurtágs carrière en betekenis voor de hedendaagse muziek. In deze aflevering belichten we de periode tot aan zijn doorbraak buiten Hongarije.
Voor Kurtág begon het allemaal in 1926 toen hij in het Roemeense plaatsje Lugoj werd geboren. Zes jaar na de Vrede van Trianon, waarbij Hongarije twee derde van haar grondgebied kwijtraakte, was de nasleep van de Eerste Wereldoorlog nog altijd voelbaar. Thuis sprak de familie Kurtág Hongaars, Roemeens leerde de kleine György pas op school. Op vijfjarige leeftijd kreeg hij zijn eerste pianolessen van moeder Kurtág. Was het aanvankelijk onschuldige spielerei, negen jaar later werd de muziekstudie ineens menens toen hij, inmiddels veertien jaar, zijn lessen bij Magda Kardos (piano) en Max Eisikovits (compositie) voortzette. Vanaf dat moment werd Kurtág klaargestoomd voor het conservatorium.
Vol verwachting reisde de negentienjarige musicus in de herfst van 1945 naar de Liszt Academie in Boedapest om onder meer bij Béla Bartók te gaan studeren. Groot was de teleurstelling toen hij bij aankomst een zwarte vlag boven het gebouw zag wapperen. Kort daarvoor was Bartók in New York in ballingschap overleden. Wat dit verlies enigszins compenseerde was Kurtágs kennismaking met de drie jaar oudere componist György Ligeti, die om dezelfde reden naar Boedapest was gekomen. De twee sloten een levenslange vriendschap die tot aan Ligeti’s overlijden in 2006 zou voortduren.
Bartók mocht dan zijn overleden, voor de jongste generatie Hongaarse muziekstudenten zou zijn muziek een lichtend voorbeeld blijven. Zo ook voor Kurtág en Ligeti. In Kurtágs vroegste composities is de geest van Bartók alom aanwezig. Dat is duidelijk hoorbaar in het Altvioolconcert (1954) dat Kurtág als eindexamenstuk componeerde en waarmee hij de prestigieuze Erkel Prijs in de wacht sleepte. Vooral Bartóks Tweede Vioolconcert liet in dit stuk diepe sporen na. Kurtágs liefde voor Bartóks muziek ging zelfs zover dat hij, naar verluidt, jarenlang de enige pianist in Boedapest was die het pianouittreksel van het Tweede Vioolconcert kon spelen.
Achter het IJzeren Gordijn hadden Kurtág, Ligeti en vele anderen in Hongarije nauwelijks notie van wat zich in de jaren vijftig aan de andere kant in West-Europa op muziekgebied afspeelde. Kurtágs oren voor de toenmalige avant-garde werden geopend toen hij tijdens een studiereis kortstondig bij Olivier Messiaen en Darius Milhaud in Parijs studeerde. Overweldigd door de voor hem volkomen nieuwe compositiemethoden, raakte Kurtág in een depressie die leidde tot een writer’s block. Sessies bij kunstpsychologe Marianne Stein brachten soelaas. Vooral haar advies om slechts de ene toon met de andere te verbinden zou Kurtág in latere stukken tot de uiterste consequentie doorvoeren. Opgemonterd begon hij onderweg naar huis aan zijn Strijkkwartet (1959), dat het veelzeggende opusnummer één meekreeg. In de daaropvolgende negen jaar ontwikkelde Kurtág zijn persoonlijke stem als componist.
Nadat Kurtág zijn zwaarwichtige Concert voor sopraan en piano: De spreuken van Péter Bornemisza, op.7 (1968) had voltooid, ging het echter opnieuw mis. Voor de tweede keer belandde Kurtág in een writer’s block. Een bijzonder compositieverzoek zette Kurtágs derde creatieve fase in beweging. Hij vertelt erover: ‘Een pianolerares genaamd Marianne Teöke vroeg me om een paar pedagogische stukken te schrijven. Binnen korte tijd componeerde ik bijna 200 stukjes, terwijl ik in de voorgaande drie jaar niets had geschreven.’ Deze composities leidden tot Kurtágs enorme pianobundel Játékok (Spelletjes, 1973-heden) dat inmiddels uit tien delen bestaat. Net als Bartóks Mikrokosmos dient het een pedagogisch doel, al kregen de stukjes in latere delen steeds meer het karakter van een muzikaal dagboek vol lofuitingen en in memoria voor bevriende en bewonderde musici en componisten. Naast Játékok componeerde Kurtág onder de titel Games, Signs and Messages een soortgelijke bundel voor andere (solo)instrumenten dan de piano.
Játékok legde tevens de basis voor Kurtágs grote vocale liedcycli die hij in de jaren tachtig voltooide. S.K., herdenkingsgeluiden, op.12 (1980), Berichten van wijlen mevrouw R.V. Troussova, op.17 (1980), Scènes uit een roman, op.19 (1982) en Attila Jozsef-fragmenten, op.20 (1981) zijn de voorlopers voor een van Kurtágs bekendste composities, Kafka Fragmente, op. 24 (1985) voor sopraan en viool. Uit de dagboeken van Franz Kafka destilleerde de componist een reeks van veertig korte miniatuurtjes. Samen vormen ze een fascinerende caleidoscoop van emotionele klanklandschappen, vol humor, sensualiteit, verlangen en tederheid.
(JWvR)
