In de klassieke muziekwereld doet een hardnekkig gerucht de ronde. Naar verluidt krijgt iedere componist die zich sinds Beethoven aan een negende symfonie waagt, te maken met de ‘vloek van de Negende’. Ga maar na, Ludwig van Beethoven, Franz Schubert, Anton Bruckner, Antonín Dvořák, Gustav Mahler, Aleksandr Glazoenov, Ralph Vaughan Williams en Alfred Schnittke; allemaal legden ze het loodje voor, tijdens of na het componeren van hun Negende Symfonie.
Een van de eerste componisten die het bestaan van een ‘vloek van de Negende’ vermoedde, was Gustav Mahler. Na het voltooien van zijn monumentale Achtste Symfonie moet hij aan Beethoven, Schubert, Bruckner en Dvořák hebben gedacht. Allemaal waren ze niet verder gekomen dan een Negende Symfonie. Nu Mahler zelf bijna op dat punt was aangeland, besloot hij het lot niet te tarten. Voordat hij aan een nieuwe symfonie begon, componeerde Mahler eerst de symfonische liedcyclus Das Lied von der Erde. Om het noodlot te misleiden, noemde hij dat stuk ‘Eine Symphonie für eine Tenor- und eine Alt- (oder Bariton-) Stimme und Orchester’. Helaas trapte Magere Hein er niet in. Mahler overleed alsnog nadat hij zijn Negende Symfonie had voltooid en koortsachtig aan zijn Tiende werkte.
Toen met Mahler een vijfde dode was gevallen, zag de immer bijgelovige Arnold Schönberg een patroon. In zijn Prager Rede (1912) schrijft hij: ‘Het lijkt erop alsof ons in de Tiende iets verteld zou kunnen worden, wat we nog niet mogen weten, waarvoor we nog niet rijp zijn.’ Maar dan moet er wel sprake zijn van een ‘Tiende’. Overzie je de muziekgeschiedenis, dan kun je de nodige vraagtekens zetten bij de rekenkundige vermogens van het noodlot.
Neem bijvoorbeeld Franz Schubert. Hij schreef zeven voltooide symfonieën, daaronder wat we nu de Negende Symfonie noemen, bijgenaamd ‘Grote’. De beroemde ‘Onvoltooide’-Symfonie staat te boek als Schuberts Achtste Symfonie. En dan is er nog een mysterieuze Zevende Symfonie. Lange tijd ging men ervan uit dat die zoek zou zijn. Tegenwoordig is de gangbare opvatting dat Schubert de vermeende ‘Gmunden-Gasteiner Symfonie’ nooit heeft geschreven. Daarmee zou Schuberts output uitkomen op acht officiële symfonieën, inclusief de ‘Onvoltooide’. Maar ook dit aantal vertelt slechts een deel van het verhaal. Schubert peuterde namelijk aan nog een handvol andere onvoltooide symfonieën, waaronder een fragment dat als Schuberts ‘Tiende Symfonie’ te boek staat.
Wie de tel bij Schubert nog niet is kwijtgeraakt, zal het bij Anton Bruckner zeker gaan duizelen. Van hem waren bij zijn overlijden negen symfonieën bekend, waarvan de laatste onvoltooid. Wat het noodlot echter over het hoofd had gezien, was dat na Bruckners dood nog twee complete symfonieën opdoken: de zogenaamde Nulde Symfonie en de Studiesymfonie, nummer 00. Daarmee staat het totaalaantal op elf. Bovendien werkte Bruckner sommige van zijn symfonieën zodanig om, dat je bijna van een nieuwe compositie zou kunnen spreken. Zo schaafde hij alleen al zestien jaar aan zijn Derde Symfonie, waarbij de eerste en de laatste versie van elkaar verschillen als dag en nacht. En zo heeft bijna elk van zijn symfonieën wel zo’n geschiedenis. Collega Hans Jacobi heeft alle versies en varianten van Bruckners symfonieën op een rij gezet.
Opmerkelijk zijn de lijntjes tussen Alfred Schnittke en Anton Bruckner. Niet alleen is zijn Tweede Symfonie Sankt Florian een hommage aan Bruckner, als een van de weinige componisten schreef Schnittke ook een Nulde Symfonie. Reken je dat jeugdwerk mee, dan zou je Schnittkes Negende zelfs als zijn tiende kunnen zien. Maar helaas, net als Bruckner, moest Schnittke op zijn sterfbed inzien dat hij zijn Negende Symfonie niet af zou krijgen.
Aleksandr Glazoenov sprong laconieker met zijn onvoltooide Negende Symfonie om. Toen hij in 1910 vastliep in de pianoschetsen van het eerste deel, gooide hij het stuk in een la, waar het na zijn dood, zestien jaar later, pas weer uit tevoorschijn kwam. Maar ja, met amper tien minuten muziek kun je bijna niet van een symfonie spreken.
Goed beschouwd lijken, naast Beethoven, alleen de Negende Symfonieën van Dvořák en Vaughan Williams echt in het plaatje van de mythe te passen.
Is daarmee het verhaal af? Nee, want we hebben het nog niet over Dmitri Sjostakovitsj gehad. Ook hij timmerde behoorlijk aan de weg als het om symfonieën ging. Op zijn 37e had hij er al acht op zijn naam staan. Vooral met zijn Zevende Symfonie Leningrad (1941) en de Achtste Symfonie Stalingrad (1943) speelde Sjostakovitsj zich bij Stalin in de kijker. Zozeer zelfs dat de grote leider een overwinningssymfonie à la Beethovens ‘Negende’ wenste, zodra de nazi’s waren verslagen.
Sjostakovitsj ging aan de slag, maar verzandde in het concept van een triomfsymfonie. Uiteindelijk gooide hij het over een totaal andere boeg. Wat zijn Negende Symfonie werd, is gespeend van elke vorm van heroïek of triomf. Je zou in dit verband bijna van een anti-overwinningssymfonie kunnen spreken. Met Haydneske lichtvoetigheid ging Sjostakovitsj totaal voorbij aan wat Stalin voor ogen stond. Het kwam hem duur te staan. Niet het noodlot, maar de Partij bepaalde dit keer wat er na Sjostakovitsj’ Negende zou gebeuren. Hij overleefde de kritiek ternauwernood. Gelukkig maar, want Sjostakovitsj zou hierna nog zes monumentale symfonieën componeren. En de ‘vloek van de Negende’? Daar is nooit meer iets van vernomen (mocht er al sprake van zijn geweest).
Jan-Willem van Ree
