Terug naar boven

Klassiek: Een ode aan Schönbergs twaalftoonstechniek in vijf toegankelijke meesterwerken

We moeten een hardnekkig misverstand uit de wereld helpen. Nog altijd kleeft aan de twaalftoonsmuziek van Arnold Schönberg het idee dat die moeilijk te doorgronden zou zijn. Schönberg zelf dacht daar heel anders over. Met evenveel zelfspot als zelfvertrouwen schreef hij in een brief: ‘In de toekomst zullen mensen mijn twaalftoonsmelodieën fluiten.’

Voor zover bekend is dát nog niet het geval, maar de opvatting dat twaalftoonsmuziek alleen voor een klein groepje connaisseurs toegankelijk zou zijn, verwijzen wij graag naar het rijk der fabelen. In dit artikel daarom een eerbetoon aan Schönbergs twaalftoonstechniek, aan de hand van vijf verrassend toegankelijke composities.

Wat is de twaalftoonstechniek eigenlijk?
Schönbergs twaalftoons-systeem, ontwikkeld rond 1921, is gebaseerd op het idee dat alle twaalf tonen binnen het octaaf gelijkwaardig zijn. In plaats van een tooncentrum rond één dominante toon gebruikt een componist een vaste volgorde van de twaalf tonen, een zogeheten reeks. Die reeks mag worden omgekeerd en gespiegeld, maar de volgorde mag niet willekeurig worden aangepast. Zo ontstaat een streng georganiseerde, maar verrassend flexibele muzikale taal.


We trappen af met een van de meest ontroerende vioolconcerten ooit gecomponeerd: het Vioolconcert van Alban Berg (1935). De aanleiding was de dood van de achttienjarige Manon Gropius, dochter van architect Walter Gropius en Alma Mahler. Berg gaf het werk dan ook de ondertitel mee: ‘Dem Andenken eines Engels’.

Het stuk staat bol van de symboliek. Berg, die al langere tijd experimenteerde met de verbinding tussen twaalftoonstechniek en de klassieke tonaliteit, weefde een fijnzinnig web van muzikale verwijzingen door het concert. De toonreeks waarop het vioolconcert is gebaseerd, construeerde hij zo dat tonale elementen behouden bleven. Daardoor kon hij de reeks naadloos combineren met andere bouwstenen, zoals het B-A-C-H-motief, een Karinthisch volksliedje en het slotkoraal O Ewigkeit, du Donnerwort van Johann Sebastian Bach. Geen wonder dat juist dit werk zoveel luisteraars raakt. Ondanks, of misschien wel dankzij, het seriële fundament.


In Schönbergs Suite, op. 25 (1923) voor piano zijn nauwelijks buitenmuzikale verwijzingen te vinden. Het stuk staat zelfs te boek als een van de eerste consequent gecomponeerde twaalftoonscomposities. Toch klinkt het allerminst droog of cerebraal. Schönberg goot het stuk in de vorm van een barokke klaviersuite, bestaande uit een Präludium en vijf dansen. De vertrouwde ritmes, fraseringen en dansvormen zijn herkenbaar, terwijl de harmonieën fris en onverwacht blijven. Qua dissonantie doet de muziek denken aan de modernere pianowerken van Bartók, Hindemith of Prokofjev. Maar waar die componisten meer intuïtief te werk gingen, zit bij Schönberg alles vast in een strak systeem. Juist dat spanningsveld maakt de suite tot een fascinerend luisteravontuur.


Twaalftoonsmuziek voor kinderen? Het klinkt bijna als iets ongepasts. Alsof je een puber een jarenlang gerijpte whisky voorzet. Toch is het pianostuk Quaderno musicale di Annalibera (1952) van Luigi Dallapiccola opgedragen aan zijn achtjarige dochtertje Annalibera. Niet om zelf te spelen, maar als een intiem muzikaal portret. Voor de sociaal bewogen Italiaanse componist was Schönbergs twaalftoonstechniek meer dan een compositietechniek: het was voor hem het toonbeeld van een ideale samenleving, waarin alle tonen — en daarmee alle mensen — gelijkwaardig zijn. In deze elf korte pianostukken verweeft Dallapiccola complexe structuren met poëtische eenvoud. Je zou het kunnen zien als het twaalftoonsantwoord op Bachs Klavierbüchlein für Wilhelm Friedemann Bach: geen droge oefenstof, maar een muzikaal geschenk vol liefde en idealen.


Francis Poulenc werd bij leven al omschreven als een ‘monnik en kwajongen’. Kwajongen vanwege zijn speelse omgang met jazz, cabaret en populaire muziek; monnik vanwege de ernst en spiritualiteit die in zijn religieuze werken naar voren komt. Vooral wanneer het over de dood gaat, krijgt zijn muziek een broze, ontredderde toon, denk aan de Litanies à la Vierge Noire of het Orgelconcert, beide geschreven in de nasleep van de tragische dood van componist Pierre-Octave Ferroud.

In 1957 verongelukte de door Poulenc bewonderde Britse hoornist Dennis Brain. Zijn Élégie voor hoorn en piano (1957), geschreven ter nagedachtenis van Brain, opent Poulenc met een twaalftoonsreeks, een zeldzaam en betekenisvol element in zijn oeuvre. Strikt genomen is het geen seriële compositie in de geest van Schönberg; eerder voegt Poulenc de reeks als expressief middel toe aan zijn palet, zoals ook Bartók en Sjostakovitsj dat deden. Het resultaat is een aangrijpende miniatuur, vol dramatische stiltes, scherpe contrasten en wrange schoonheid.


Eigenlijk is het best gek dat de muziek van Charles Wuorinen niet veel bekender is. Zijn doorwrochte componeersysteem verpakte deze Amerikaanse componist in muziek waar het speelplezier van afspat. De levendige ritmes, kleurrijke orkestraties en heldere structuren, schurken soms zelfs tegen Leonard Bernsteins West Side Story aan, maar dan wel in een twaalftoonsjasje. Wuorinens Derde Pianoconcert (1983) is een prima introductie tot zijn muziek, vooral vanwege het ongecompliceerde en adembenemende slot. Het concert begint met een lange, energieke pianocadens, waarin de solist gaandeweg gezelschap krijgt van het slagwerk. Oké, op z’n Schönbergs fluitbare muziek is het niet, maar je erdoor mee laten slepen, dat kan zeker wel.

Twaalftoonsmuziek moeilijk te doorgronden? Deze vijf stukken van Berg, Schönberg, Dallapiccola, Poulenc en Wuorinen laten horen dat deze muziek helemaal niet zo ondoordringbaar hoeft te zijn als vaak wordt beweerd. Achter de hermetische structuur en logica schuilt vaak een veelkleurige wereld vol emotie, symboliek en verbeelding — precies zoals Schönberg het bedoeld had.
Durf te luisteren en laat je verrassen.

Jan-Willem van Ree