Terug naar boven

Zes markante Achtste Symfonieën

De Achtste symfonie is in veel symfonische oeuvres een merkwaardig geval. Ze komt vaak na een monumentale Zevende en vóór een Negende, die vanwege de mythevorming haast automatisch tot zwanenzang is uitgeroepen.

Toch blijkt die Achtste Symfonie bij een aantal componisten juist een kantelpunt. Alsof ze, na zeven symfonieën vol groei en strijd, even halt houden om opnieuw richting te kiezen. Bij bijvoorbeeld Beethoven, Dvorák en Vaughan Williams gaat het om een lichtvoetige blik achterom. Bruckner en Mahler aan de andere kant gaan juist op zoek naar nieuwe ongehoorde horizonten. En Sibelius? Zijn verloren gegane Achtste is zelf tot mythe geworden. In dit artikel zetten we een aantal even markante als eigenzinnige Achtste Symfonieën op een rij.


Ludwig van Beethoven werkte graag aan meerdere projecten tegelijk. Zo ontstonden zowel de Vijfde en de Zesde als de Zevende en de Achtste Symfonie als duo’s naast elkaar. Maar als je Beethovens output vanaf zijn Derde Symfonie 'Eroica' bekijkt, dan valt met de Achtste Symfonie iets bijzonders op. Elk van de voorgaande vijf monumentale symfonieën heeft een zeker programma: de heroïek van de Derde, de gang van donker naar licht in de Vierde en de Vijfde, de pastorale Zesde en de op dansritmes gebaseerde Zevende Symfonie. In zijn Achtste Symfonie slaat Beethoven daarentegen een klassieke en zelfs humoristische toon aan. Alsof hij terugblikt op zijn eerste twee symfonieën om zijn leermeester Joseph Haydn nog één keer naar de kroon te steken met een duel op het gebied waar Haydn heer een meester was. Tegelijk zit het werk vol technische verfijning. Metrische verschuivingen, een compacte vorm en een onmiskenbare energie maken dit ogenschijnlijk lichte stuk tot een sterk staaltje muzikale spitsvondigheid.


Beethoven was niet de enige die in zijn Achtste Symfonie een luchtiger toon aansloeg. Ook in de Achtsten van Antonín Dvořák en Ralph Vaughan Williams horen we componisten die terugkijken en tegelijkertijd zoeken naar een nieuw jeugdig elan.

Voor Dvořák was dat de Boheemse folklore, die in zijn Achtste symfonie weelderig tiert. Dit werk was volgens de componist ‘verschillend van mijn andere symfonieën, met persoonlijke ideeën die ik op een nieuwe manier heb vormgegeven.’ De symfonie bruist dan ook van dansritmes, vogelzang en volksmelodieën.


Hetzelfde geldt voor de dan tachtigjarige Vaughan Williams. Met scherpte en warmte blikt hij in zijn Achtste terug op zijn vroegere stijl. Zo komen verwijzingen naar zijn bekendste composities voorbij: de Tallis Fantasia en The Lark Ascending. Toch biedt het stuk ook de nodige vernieuwing. Met de enorme batterij aan slagwerk, waaronder gestemde gongs, roept Vaughan Williams een eigen klankwereld op die in de verte aan Puccini’s Turandot doet denken.


In plaats van een luchtige blik achterom zetten Bruckner en Mahler juist koers naar nieuwe muzikale werelden. Anton Bruckners Achtste symfonie is een soort apotheose van alles wat hij tot dan toe op symfonisch gebied tot stand had gebracht. De thema’s groeien als kathedralen van klank: ze worden voortdurend verder ontwikkeld en hergebruikt. Beroemd is de Finale waarin de vier hoofdmelodieën van de symfonie zelfs gelijktijdig klinken.

Ook qua lengte en instrumentarium is Bruckners Achtste zijn omvangrijkste compositie. Zo voegt hij drie harpen, extra koperblazers en slagwerk toe aan het tot dan toe gebruikelijke symfonieorkest. Niet iedereen kon Bruckner daarin volgen. Dirigent Hermann Levi vond de eerste versie van het stuk ‘onbegrijpelijk’. De meer gestroomlijnde tweede versie, die Bruckner daarna maakte, is nog altijd de meest uitgevoerde en wordt gezien als de kroon op zijn oeuvre.


Gustav Mahler
s Achtste Symfonie vormt na Bruckner de overtreffende trap. Niet alleen is het zijn meest grootschalige symfonie, ook snijdt Mahler verheven thema’s aan. Alles trekt hij uit de kast om uiting te geven aan zowel de goddelijke als de menselijke liefde. Naast een enorm symfonieorkest, orgel en extra koperblazers verlangt hij ook nog eens twee gemengde koren, kinderkoor en acht vocale solisten. Zij geven stem aan de middeleeuwse hymne Veni creator spiritus en de slotscène uit Goethes Faust II. Is het nog wel een symfonie? Mahler zelf dacht op dat moment niet meer in aardse scheidslijnen. Aan dirigent Willem Mengelberg vertrouwde hij toe: ‘Stelt u zich voor dat het hele universum begint te klinken en te zingen. Het zijn niet langer menselijke stemmen, maar planeten en zonnen die rondcirkelen.’


Het contrast tussen Gustav Mahler en Jean Sibelius kan haast niet groter zijn. Waar Mahler vond dat een symfonie ‘de hele wereld moest omvatten’, wilde Sibelius zijn luisteraars slechts ‘een beker koel water voorzetten.’ Zijn Zevende symfonie (1924) is daarvan het toonbeeld: één vloeiende spanningsboog van twintig minuten, geconcentreerd en afgerond. Toch werkte Sibelius daarna nog jarenlang aan een Achtste symfonie, die de overtreffende trap van zijn symfonische oeuvre moest worden. Hoewel tijdgenoten meldden dat het werk vrijwel voltooid was, vernietigde hij het rond 1945 uit onvrede. In zijn archieven werden later enkele vermoedelijke fragmenten teruggevonden, die in 2011 voor het eerst werden uitgevoerd. Ze laten horen hoe Sibelius in zijn laatste jaren experimenteerde met een rauwer, moderner idioom. Ze bieden een glimp van zijn laatste muzikale overpeinzingen. Gedachten die hij wellicht voor zichzelf had willen bewaren.

Jan-Willem van Ree