Terug naar boven

Klassiek: Henriëtte Bosmans herontdekt

'Dat ik de techniek beheersen zou van componeren is beslist en helaas niet waar…’ Dit schreef Henriëtte Bosmans een jaar voor haar dood aan mede-componist Matthijs Vermeulen. En dat terwijl ze in haar tijd een beroemdheid was die ook internationaal de aandacht trok. Haar beste muziek wordt nog steeds gespeeld, menig Nederlandse componist kan er jaloers op zijn. Na haar dood werd ze vooral, zoals zoveel Nederlandse componisten, herinnerd als straatnaam. De laatste jaren lijkt er echter sprake te zijn van een revival. Alleen al in 2025 verschenen er minstens vier albums die geheel aan haar gewijd zijn.

Als pianist trad Bosmans meer dan twintig keer op in het Concertgebouw. Ze speelde onder dirigenten als Willem Mengelberg, Eduard van Beinum en Pierre Monteux. Hoe zat het dan met haar techniek van het componeren? Daarover verderop meer.

Jeugd, de jaren met Frieda Belinfante
Henriëtte Bosmans had muzikale ouders. Haar vader, die nog met Grieg had gespeeld, was eerste cellist bij het Concertgebouworkest. Hij overleed toen Henriëtte nog maar acht maanden oud was. Haar moeder, die ooit quatremaine speelde met Brahms, doceerde piano aan het Amsterdamse conservatorium. Onder leiding van haar dominante moeder ontwikkelde Henriëtte zich als concertpianist.

In 1919 componeerde Bosmans een Cellosonate. Het imposante werk stond nog steeds onder de invloed van de Duitse romantiek à la Brahms. De cello was niet alleen het instrument van haar vader, maar ook van haar geliefde Frieda Belinfante met wie ze vanaf 1922 samenwoonde. In 1924 verzorgde Belinfante de première van Bosmans’ Tweede Celloconcert.

Na zeven jaar kwam er een eind aan de relatie met Belinfante, kennelijk mede vanwege Bosmans’ moeilijke karakter. ‘Ik heb een heele akelige en slechte natuur’, schreef ze jaren later aan een vriend. Ondanks die ‘slechte natuur’ had Bosmans meerdere relaties met zowel vrouwen als mannen. Al haar relaties waren wel muziekgerelateerd, onmuzikale mensen interesseerden haar niet. Ook met geld hield ze zich niet bezig. Net als Schubert, ook zo’n bohemien, had de gevierde pianiste nooit een piano bezeten.

Belinfantes levensloop is een verhaal apart, wat al meerdere verfilmingen en documentaires heeft opgeleverd. Als verzetsvrouw was ze betrokken bij de aanslag in 1943 op het Amsterdamse Bevolkingsregister. Kunstenaar en mede-verzetsheld Willem Arondéus werd geëxecuteerd. Belinfante wist te ontkomen naar Zwitserland. In Californië werd het haar als dirigerende vrouw niet makkelijk gemaakt. Ze had niettemin de primeur als eerste dirigent ter wereld van een vooraanstaand orkest.

Kritiek
Bosmans’ Poème (cello en orkest) werd bekritiseerd na een uitvoering in 1927 door het Concertgebouworkest. De Maasbode schreef tendentieus: ‘... mentaal hoort ze thuis bij d’amsterdamsche jofferen’. Serieuzer was de kritiek van de toen toonaangevende componist en recensent Willem Pijper: ‘Het is (...) betreurenswaard dat een zo jong, zo vitaal, zo gunstig gedisponeerd mens, zo weinig de tekenen van haar tijd bleek te verstaan. De renovaties van Debussy, de ‘Errungenschaften’ van Mahler, de ontdekkingen van Schönberg, de raffinementen van Stravinsky zijn langs haar oor getrokken (…) voor haar bestaat deze tijd nog niet. Zij zoekt haar geluk in een infantiele regressie…’

Had Pijper gelijk met zijn kritiek? Mooie momenten alleen leveren nog geen spannend verhaal op. Maakte Bosmans zich er niet te gemakkelijk van af, leunend op de muzikale voorbeelden van haar jeugd? Hoe dan ook, ondanks haar trots nam Bosmans les bij diezelfde Willem Pijper. Daarmee schaarde ze zich onder de indrukwekkende reeks leerlingen die Pijper heeft opgeleid, waaronder ook Henk Badings, Kees van Baaren en Rudolf Escher.

Hoogtepunten
De studie bij Pijper wierp vruchten af, zonder dat Bosmans in de pietluttigheden verzandde die Pijpers composities soms kenmerken. Fraai is het beknopte Strijkkwartet (1927, opgedragen aan Pijper), met een ontroerend Lento als middendeel. Het schitterende Concertino voor piano en orkest (1928) was zowel toen als nu haar meest succesvolle stuk.

Totaal anders is het droevige Concertstuk voor viool en orkest. Ze componeerde het voor Francis Koene, de violist met wie ze zich in 1934 had verloofd. In 1935 overleed Koene. Bosmans was in de jaren daarna zo terneergeslagen dat ze amper componeerde. Tijdens de Duitse bezetting waren uitvoeringen van haar muziek sowieso verboden, omdat ze geen lid wilde worden van de beruchte Kultuurkamer. Na de bevrijding nam ze het componeren weer op, met een aantal indrukwekkende liederen als gevolg.

Vocale hoogtepunten
Hoe zijn we hier ooit terechtgekomen? Kunnen we hier nog weg? Roland Holst vroeg het zich af in zijn gedicht Dit eiland. Bosmans zette het in 1947 op muziek. Veel van Bosmans’ naoorlogse liederen gingen zo over de menselijke conditie vanuit het perspectief van de oorlog. La chanson du Chiffonier (1950) gaat over vergankelijkheid. Piramiden en paleizen zijn niet voor altijd, aldus Teeken den hemel in het zand der zee (1947). Misplaatste heroïek kenmerkt Een lied voor Spanje (1951).

De bevrijding inspireerde haar tot gelegenheidsliederen. Zoals Gebed, naar een gedicht van Fedde Schurer. Het lied werd, net als Lead, kindly light (tekst van kardinaal Newman), gezongen door Jo Vincent. Vanaf 1949 componeerde Bosmans voor de Franse zangeres Noëmie Perugia. De relatie met Perugia was intens en soms moeizaam, hoewel ze elkaar feitelijk alleen professioneel zagen. Vanaf 1950 ging Bosmans’ gezondheid achteruit. Ze overleed in 1952, op 56-jarige leeftijd.

Hans Jacobi