Terug naar boven

Neoklassiek: ‘Ik geloof erin dat je in muziek kan horen op welke plek iemand is geweest.’ Interview met Sofia Dragt

Sofia Dragt eet dagelijks aardappels en heeft onlangs het horrorgenre ontdekt. Veel muzikanten beginnen met een melodie of een thema - Dragt zoekt eerst naar klank. Deze feiten lijken weinig met elkaar te maken te hebben, totdat Dragt begint te vertellen over haar werk. Dan blijkt dat nieuwsgierigheid en experiment de rode draad zijn in haar composities.

Veldopnames, getransformeerde geluiden en bij elkaar verzamelde instrumenten spelen een grote rol in haar praktijk. Ze is al jarenlang actief als singer-songwriter en popartiest, maar beweegt steeds meer naar film- en mediamuziek met experimenteel karakter. Dit jaar nog moet er een instrumentaal neoklassiek album van haar verschijnen.

Als filmcomponist is het niet gebruikelijk om nog vóór het scenario betrokken te worden bij het filmproject. Toch gebeurde dat bij de korte film De Getuigenis (regie Ellen van Kempen). Vanaf de scriptfase werd Dragt gevraagd als ware een ‘third character’, waardoor ze zich volledig kon richten op de sfeer van de film, zonder zich te laten blokkeren door tijdcodes of editors met een voorliefde voor een tijdelijke soundtrack (temptrack). Integendeel: háár muziek werd gebruikt als temptrack - de droom van elke filmcomponist. Ze experimenteerde met geluiden en verraste zichzelf door op nieuwe vormen te komen, met minder piano en strijkers dan ze gebruikelijk toepast.

Als componist voor film en media beweegt Dragt zich voortdurend tussen twee werelden. De muziek moet allereerst een verhaal ondersteunen en toegankelijk blijven voor een breed publiek. Tegelijk probeert ze hierin haar eigen signatuur te behouden. Die balans tussen publiek en eigen stem vond ze misschien meer dan ooit in 2024, tijdens een artist in residency op de Westfjorden van IJsland. Daar ontstond het conceptalbum ISA. Dragt refereert aan dit album als een keerpunt in haar carrière - ‘een pareltje voor mezelf’ - waarin ze haar eigen klank zocht.

‘Ik geloof erin dat je in muziek kan horen op welke plek iemand is geweest.’
Die gedachte vormt de kern van ISA. Experimenteel te werk gaan is niet nieuw in Dragts composities. Ze was dagelijks buiten voor veldopnames die we subtiel terughoren in de muziek, zoals een waterval of een laars in een modderpoel. Ze verwijst naar Atli Örvarsson als inspiratie, van wie bekend is dat hij geluiden opneemt in silo’s vanwege de akoestiek.

Op de residency had ze toegang tot een ontstemde vleugel. Na een mislukte poging die te stemmen plaatste Dragt rubberen lepels tussen de valse snaren om er toch mee te kunnen werken:
‘Dat specifieke karakter van die vleugel in mijn opnames brengt me steeds weer naar die plek.’
Ze vertelt over speciaalbiertjes in een lokaal café, waarna ze het noorderlicht ging aanschouwen, om vervolgens weer in de studio te gaan zitten schrijven.

Toen ze 12 was schreef Dragt haar eerste liedje in Wageningen (‘over een jongen uit mijn klas, die eigenlijk een eikel was’). Voordat ze op haar 17e voor een jaar naar het buitenland vertrok, brandde ze haar eerste cd met acht eigen nummers en verkocht die aan vrienden om haar reis te bekostigen. Het was voor haar allang duidelijk dat ze naar het conservatorium wilde:
‘Die meerstemmigheid opnemen, dat je met je eigen stem een koortje kan vormen, dat vond ik zo vet.’

Wie Dragts muzikale signatuur wil horen, kan terecht bij de single I Live After I Died:
‘Dit liedje is mijn sound - zachte viltpiano, texural strings, gelaagde zang.’
Haar bedoeling achter die texturen? Een ‘melancholische hoop’ zoals ze het noemt, dat je over de zwaarte van het leven kunt treuren en rouwen, maar toch veerkracht kunt vinden.

Misschien verklaart dat ook waarom Dragt voortdurend op zoek blijft naar nieuwe geluiden. Of die nu afkomstig zijn van een filmpersonage, een modderpoel in de Westfjorden of een valse vleugel: voor haar begint muziek bij aandachtig luisteren naar een herinnering of een plek.

Marlene Dirven