Er is veel geschreven over Schuberts sterfjaar 1828. Hoe hem het ene na het andere meesterwerk uit zijn ganzenveer vloeide, alsof Magere Hein hem op de hielen zat. Maar dat is bekeken vanuit de zwarte romantiek. Had hij langer geleefd, dan zouden we het zo zien: in het late voorjaar van 1828 ging Schubert op orgelexcursie naar een klooster in Baden met vriend en mede-componist Franz Lachner. Beiden
… daagden elkaar uit met het componeren van een fuga. De dag daarop volgden uitvoeringen van de fuga’s voor de monniken. Schuberts vingeroefening was typerend voor zijn toenmalige ontwikkeling. Hij had hiervoor zelfs lessen genomen bij de Weense theorieleraar Simon Sechter. Die fascinatie voor meerstemmigheid (contrapunt) horen we ook terug in de Fantasia in f klein en het Allegro in a klein. Twee tegengestelde topstukken van het vierhandige pianorepertoire: de een intens droevig, de ander bruisend van energie. Maar beiden uitlopend op fugatisch vuurwerk. Het was balanceren voor Bertrand Chamayou en Leif Ove Andsnes om zittend van achter dezelfde vleugel tot één visie samen te smelten (zie toelichting boekje). Het programma vindt hoe dan ook zijn balanspunt in de genoemde Fuga, volgend op de Fantasia en het Allegro en zelf gevolgd door het Rondo in A groot. (HJ)plus