Louis Vierne behoort tot de groten. Zijn orgel in de Parijse Notre-Dame was groot, zijn orgelsymfonieën zijn groots, zijn positie in de muziekgeschiedenis is vergelijkbaar. Maar misschien is iemand pas werkelijk groot als hij zich net zo makkelijk kan uitdrukken in het kleine.
Bach kon het.
Franck kon het in zijn
L’Organiste,
Stravinski in
Les Cinq Doigts,
Schönberg in de
Sechs kleine Klavierstücke.
Vierne kwam een eind in de richting met de Vingt-Quatre Pièces en Style Libre. Niet dat alles even makkelijk wegspeelt, maar het is minder veeleisend dan Viernes orgelsymfonieën. Amateurorganisten kunnen er hun voordeel mee doen. De Pièces en Style Libre werden in 1913 gecomponeerd en een jaar later gepubliceerd als op.31. Heel mooi is Lied, waarin Vierne het allereerste stukje uit L’Organiste van Franck citeerde. Het etherisch zwevende Arabesque had uit de pen van Debussy kunnen vloeien. Carillon is een feestelijk alternatief voor organisten die de virtuose Carillon de Westminster (Pièces de Fantaisie op.54) te moeilijk vinden. De Vingt-Quatre Pièces zijn voor harmonium (het Franse drukwindharmonium) of orgel. Meestal horen we ze op orgel, zoals ook hier door Carlo Mazzone. Hij bespeelt een hedendaags orgel dat ontworpen werd voor laatromantische Franse orgelmuziek. (HJ)plus