Terug naar boven

Van Eigen Bodem: Surinaams-Nederlandse muziek

Deze aflevering van Van Eigen Bodem is ingeruimd voor een lesje Surinaams-Nederlandse muziekgeschiedenis. Tussen 1667 en 1975 was Suriname een kolonie van Nederland. In die periode ontstond een afwisselende muziektraditie die elementen bevat van allerlei verschillende culturen.

We beginnen met een artiest die iedereen wel kent. Rapper Typhoon gooide in 2014 hoge ogen met zijn tweede plaat Lobi Da Basi. Zijn werkgever Top Notch bracht hierna, in samenwerking met een bekend Surinaams-Nederlands frisdrankenmerk, een aantal schitterende compilaties uit die u niet mag missen. Na de succesvolle verzamelaar Sranan Gowtu (2013) werd er iets meer verdieping gezocht door op de carrières van artiesten in te zoomen. De tofste poku’s van Trafassi, Max Woiski Sr. en zijn zoon Max Woiski Jr., Max Nijman en Lieve Hugo laten horen in een rijke muzikale traditie te staan. Uiteraard is de Latijns-Amerikaanse muziek daarbij leidend, maar ook de Nederlandse volksmuziek speelt een rol in hun werk.

Iedereen is bekend is met kaseko. Voor Mi Rowsu (2009) van Damaru gold Wasmasjien (1985) als het bekendste Surinaams-Nederlandse liedje. Trafassi is de band van Edgar Burgos (1953), een neef van Lieve Hugo.

Trafassi – Wasmasjien

Julius Theodoor Hugo Uiterloo (1932-1975), beter bekend als Iko en Lieve Hugo, was The King of Kaseko. Kaseko is Surinaamse dansmuziek die veel invloeden uit Latijns-Amerika bevat, maar dankzij artiesten als Lieve Hugo ook een Nederlands sausje kreeg. Een Pot Met Bonen is een oud Nederlands volksliedje uit de 19e eeuw.

Lieve Hugo – Een pot met bonen

Wederom een stukje Nederlandse muziekgeschiedenis dat nieuw leven wordt ingeblazen. Max Nijman (1941) zingt het eeuwenoude liedje met de vraag-en-antwoord-zang die in veel kaseko-nummers opduikt. Naast de Nederlandse liedcultuur heeft ook de westerse popmuziek invloed op Nijman. Zijn bekende tranentrekker Adjossi is een gevoelig levenslied waarin zijn heldere stem wordt ondersteund door orgel en elektrische gitaar.

Max Nijman – Ine miene mutte

Ook Max Woiski Jr. (1930-2011) zette zijn tanden in Nederlandse volksliedjes. Het 19e-eeuwse In ’t Groene Dal, In ’t Stille Dal bijvoorbeeld. Nog leuker is de bewerking die Woiski en zijn band maakten van het intro van De Fabeltjeskrant. De Surinaamse Nederlander had veel met televisie. Toen het medium in de jaren 60 de Nederlandse huiskamers veroverde had hij zijn eigen programma Mackintosch, vernoemd naar zijn officiële achternaam.

Max Woiski Jr. – Sanga banga

We zouden kaseko-bewerkingen van bekende Nederlandse volksliedjes kunnen blijven aanwijzen. Maar aangezien de meeste kaseko-artiesten naast Nederlands en Engels vooral originele nummers in Sranantongo zongen, mag een liedje in de volkstaal – 80% van Suriname spreekt het, naast een reeks andere talen – niet ontbreken. Max Woiski Sr. (1911-1981) opende in 1940 al een club in Amsterdam, en verklaarde in dit nummer zijn liefde voor Amsterdam én Rotterdam. Maar zijn liefde voor Paramaribo zou altijd blijven.

Max Woiski Sr. – Mi Lobbie Paramaribo

(JE)