Terug naar boven

Basiscollectie klassiek: Conrad Paumann

Een kleine drie eeuwen scheiden ons van Johann Sebastian Bach, die volgens velen de grootste organist aller tijden was. Gaan we echter vanaf Bachs leven drie eeuwen terug in de tijd, dan komen we terecht bij de late middeleeuwer Conrad Paumann. Hij is de eerste orgelvirtuoos uit de geschiedenis van wiens artisticiteit wij ons nog steeds een beeld kunnen vormen.

In 1919 gaf de historicus Johan Huizinga (Herfstij der Middeleeuwen) een treffende beschrijving van Paumanns tijd, zonder zijn naam overigens te noemen: 'Want wat wij naast de beeldende kunst nog weten van andere levensuitingen dier tijden, het is alles uitdrukking van schoonheid en stille wijsheid: de muziek van Dufay en zijn gezellen, het woord van Ruusbroec en Thomas a Kempis. Zelfs waar de wreedheid en ellende der tijden nog luide doorklinkt: in de geschiedenis van Jeanne d'Arc en de poëzie van Villon, gaat er toch enkel verheffing en vertedering van die figuren uit.'

Ein fröuwlein edel von natueren

De blind geboren Conrad Paumann (circa 1410) was de zoon van een ambachtsman in Neurenberg. Vanwege zijn muzikale talent ontving de gehandicapte jongeman gelukkig steun van een welgesteld bestuurder. Over zijn muzikale opleiding is niet veel bekend. Vanaf tenminste 1446 was hij echter als organist verbonden aan de Sint-Sebalduskerk in zijn geboorteplaats. Het lokale bestuur zag het genie niet graag gaan. De stadsorganist moest beloven dat hij de stad niet zonder toestemming verliet.

Redeuntes in idem (231)

Paumann hield zich niet aan de afspraak. In 1450 was de vogel gevlogen, waarna hij in München als organist werd benoemd aan het hof van hertog Albrecht III. Dankzij de bemiddeling van de hertogin werd Paumann ontslagen van zijn verplichtingen in Neurenberg. Tot aan zijn dood bleef hij in München. Wat hem er overigens niet van weerhield om in heel Europa te concerteren, tot in Italië en aan het Bourgondische hof van Philips de Goede toe. Vanwege zijn blindheid zal Paumann vooral geïmproviseerd hebben, en die improvisaties zijn uiteraard verloren gegaan. Indirect hebben we echter een goed beeld van zijn artisticiteit, dankzij zijn leerlingen en dankzij twee bundels: het Lochamer Liederbuch en het Buxheimer Orgelbuch.

Der Sumer

Het merendeel van het omvangrijke Buxheimer Orgelbuch betreft ruim 250 orgelstukken uit de Paumann-school. Het gaat hier veelal om Duitse volksliedjes, Franse chansons, religieuze bewerkingen, vrije preludes en improvisatiemodellen.De zelfstandige instrumentale muziek bevond zich toen nog in de kinderschoenen. We zien dit terug in de tweeslachtige notatie van het Buxheimer Orgelbuch: zevenlijnige notenbalk voor de rechterhand en letters (notennamen) voor de linkerhand. Voor de liefhebbers: het complete manuscript (fascimile) is online te vinden via IMSLP - Petrucci Music Library.

Redeuntes in La (234)

Haar grootste charme ontleend deze muziek aan de fraaie melodieën voor de rechterhand. Deze melodien zijn sterk declamatorisch, met ritmische verschuivingen die zich niets van de maatstreep aantrekken. Zoals in Herz nut und all myn syn (nr.197). Nog een voorbeeld van een volksliedje: Der Sumer (nr.23). Spectaculaire virtuositeit horen we in het Magnificat octavi toni (nr.77).

Magnificat octavi toni

Het Buxheimer Orgelbuch bevat eveneens bewerkingen van destijds geliefde chansons. Zoals O rosa bella van John Dunstable.

O rosa bella

Het Buxheimer Orgelbuch bevat eveneens systematische voorbeelden van improvisatiekunst. Op cd worden deze korte stukjes soms achterelkaar gepresenteerd, zodat er een doorlopend geheel ontstaat.

Incipit fundamentum (improvisatiemodellen)

(HJ)