Terug naar boven

Met Bach door het jaar (22): Trinitatis

Trinitatis, de zondag na Pinksteren, is het laatste christelijke hoogfeest van het kerkelijk jaar. Na de feesten rond Christus (Kerst, Pasen, Hemelvaart) en de heilige Geest (Pinksteren) staat op zondag Trinitatis de heilige Drieëenheid centraal. In Bachs cantate Gelobet sei der Herr, mein Gott (BWV.129) krijgt de Drievuldigheid gestalte in de koraaltekst van Johann Olearius.

De eerste drie strofen behandelen respectievelijk de drie 'personen': De schepper (Vader), de redder (Zoon) en de trooster (heilige Geest). De laatste twee strofen zijn een eerbetoon aan de heilige Drieëenheid zelf.

Opmerkelijk is enerzijds de compacte zetting van de koraaltekst (er zijn geen recitatieven, wel aria's zonder da capo) en anderzijds de grootschalige bezetting die Bach voorschrijft. Zo bestaat het ensemble naast vierstemmig koor, drie vocale solisten en continuo uit drie trompetten, pauken, twee hobo's, hobo d'amore, traverso en strijkers. Elk van de vijf delen kleurt Bach daarmee op geheel eigen wijze. In het monumentale openingskoor wedijveren niet minder dan drie groepen met elkaar: trompetten, hobo's en strijkers. Hiertegen klinkt in de sopranen de koraalmelodie in lange notenwaarden.

(Het openingskoor onder leiding van Ton Koopman)

De eerste van de drie opeenvolgende korte aria's is daarentegen uiterst sober. De bassolist (de vox Christi) wordt hier slechts door continuo begeleid, wellicht een verwijzing naar de povere omstandigheden van Christus' leven op aarde.

(De basaria zoals te horen op de opname in de legendarische reeks Das Kantatenwerk)

In de tweede aria omgeven zwierige guirlandes van traverso en viool de sopraansolist, een onmiskenbare referentie aan de heilige Geest. De laatste aria voor alt solo, hobo d'amore en continuo draagt een uitgesproken pastoraal karakter. Hierin wordt alles wat door de hemelsferen zweeft opgeroepen God te loven.

(De derde aria uit deze recente opname)

Het vierstemmige slotkoraal bouwt hierop voort: Bach werkt het met behulp van het volledige instrumentarium uit tot een compacte, maar stralende concertante koraalfantasie.

(Het slotkoraal in Suzuki's interpretatie op deze cd)

De cantate ging waarschijnlijk op 16 juni 1726 in première en werd tijdens Bachs leven in verschillende bezettingen uitgevoerd. Zo verving hij voor een uitvoering in 1732 de orgelbegeleiding van de drie aria's door klavecimbel (Ton Koopman baseerde zijn opname op deze versie). In 1740 keerde Bach echter weer terug naar het oorspronkelijke concept met orgel.

(JWvR)