Terug naar boven

Curiosa klassiek : De gelukkige zomer van 1825

Eerdere biografen deden nogal geheimzinnig over de ziekte die tot Franz Schuberts vroege dood op 31-jarige leeftijd leidde. Over de losse levensstijl van de componist had men het al helemaal niet. In plaats daarvan creëerde men het onschuldige beeld van de eeuwige vrijgezel, die hooguit aan een enkel onbereikbaar meisje zijn hart had verpand. Pas sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw werd duidelijk hoe de verschillende stadia van syfilis de laatste zes jaar van Schuberts leven en creativiteit bepaalden. Over de tragiek van dit alles is al veel gezegd, geschreven en verfilmd. Er waren echter ook gelukkige momenten.

In de 19e eeuw was syfilis een verwoestende rotziekte die vrijwel zeker een doodvonnis inhield. In het eerste stadium waren de tekenen meestal alleen zichtbaar voor de patiënt. Het lijkt waarschijnlijk dat Schuberts driedelige Pianosonate in a (D.784, februari 1823) een reactie was op de diagnose. Het is geen populair werk. Het openingsdeel is kaal en afstandelijk, met zo nu en dan een lage triller als opmaat voor een agressieve uitbarsting. Je zult het maar zelden horen in de concertzaal.

Pianosonate in a D.784

Het tweede stadium van de ziekte veroorzaakte een zichtbare uitslag. Het stigma bracht Schubert in een isolement, juist op het moment dat zijn muziek in Wenen steeds vaker werd uitgevoerd. Van februari 1825 tot halverwege 1826 waren de symptomen echter afwezig. Ook dat hoorde jammer genoeg bij het verloopt van de ziekte, het uitstel was geen afstel. Niettemin markeerde dit respijt de meest gelukkige periode van Schuberts korte leven.

Vanaf 20 mei 1825 begon Schubert aan een lange vakantie, samen met de bijna dertig jaar oudere bariton Johann Michael Vogl (zie plaatje). Ondanks het grote leeftijdsverschil vormden de componist en de zanger een vast duo. Vogl had zich na zijn afscheid van het operapodium zelfs volledig gewijd aan Schuberts liedkunst. Alleen al de première van Schuberts bekendste lied - de sensationele Erlkönig (1821) – was genoeg om Vogl een respectabele plek te geven in de klassieke muziekgeschiedenis.

Dietrich Fischer-Dieskau zingt Erlkönig - hoor hoe de zanger de verschillende rollen (vader, zoon, elfenkoning) zijn eigen kleur geeft, alsof het een mini-opera voor één persoon is

In de zomer van 1825 trokken Schubert en Vogl eerst rond door het district Opper-Oostenrijk. In verschillende plaatsen gaven ze recitals voor een publiek dat van de toenmalige moderne liedkunst nog geen enkel idee had. Het inmiddels zeer populaire Ave Maria (D.839, naar Lady of the lake van Walter Scott) behoorde tot hun recente repertoire.

Aafje Heynis zingt Ave Maria

In Gmunden verbleven de vakantiegangers zo’n zes weken. Het stadje was sprookjesachtig gelegen aan een meer met zwanen, omgeven door ruige rotsformaties. De plek was zo romantisch dat de bezoekers als vanzelf hoorngeschal meenden te horen. Juist hier begon Schubert aan zijn grote Symfonie in C. Misschien dat de gedempte hoornsignalen aan het begin een herinnering waren aan de schitterende Traunsee.

Symfonie nr.9 (nr.8) in C gr.t. ‘Der Grosse’

Rond 10 augustus arriveerde men in Bad Gastein (meer naar het zuiden). Hier componeerde Schubert het verheven lied Die Allmacht (D.852), naar een tekst van de locale dichter Johann Ladislaus Purker. Het lied is één grote lofzang op zowel de schrikwekkende als lieflijke krachten van de natuur. Zelfs binnenin dit stadje is de natuur imposant, vanwege de ligging rondom een waterval.

Peter Schreier zingt Die Allmacht

Tenslotte de Pianosonate in D (D.850), die zelfs de bijnaam Gasteiner Sonate meekreeg. Opvallend is het contrast tussen het voortvarende openingsdeel en de lieflijke finale: een melodisch rondo met soms levendige momenten, dat na verloop van tijd toch zachtjes uitdooft.

Pianosonate in D D.850

(HJ)